Italiaanse werkwoordstijden: wat je eerst leert en wat kan wachten
Elke Italiaanse werkwoordstijd bestaat om een reden, maar niet elke reden weegt even zwaar voor een buitenlandse cursist die met Italianen wil praten. Leerboeken presenteren de tijden meestal als een reeks hoofdstukken van gelijk gewicht. Een echt gesprek ordent ze anders. Sommige heb je in de eerste weken nodig. Andere worden pas na een jaar nuttig, en een of twee kunnen onbeperkt wachten. Dit artikel brengt de Italiaanse werkwoordstijden in kaart op basis van de rol die elke tijd speelt in gesproken Italiaans, zodat je weet wat je eerst leert, wat je uitstelt, en waarom.
Wat volgt is een close-up van één onderdeel van onze Italiaanse Grammatica Roadmap die de volledige opbouw van A1 tot C2 behandelt. Hier lichten we één draad eruit: de Italiaanse werkwoordstijden, in de volgorde waarin ze nodig worden.
Presente en passato prossimo: waar het gesprek begint
Een echt gesprek in het Italiaans begint met twee tijden. De presente (de tegenwoordige tijd) dekt routines, voorkeuren en gewone feiten. Abito vicino a Firenze, lavoro in banca, mi piace il vino rosso. De passato prossimo (qua vorm de voltooid tegenwoordige tijd) voegt toe wat er gebeurd is. Ieri ho visto Marco, abbiamo mangiato una pizza, sono andato al mare. Samen dragen deze twee tijden het grootste deel van wat twee mensen tegen elkaar zeggen wanneer ze elkaar voor het eerst spreken.
Daarom vormen ze het startpunt van elke serieuze cursus. Een cursist die de presente en de passato prossimo beheerst, kan al een echt gesprek voeren met een buurman of met de eigenaar van het huis ernaast. De zinnen zijn kort en het bereik is beperkt. Maar het gesprek is echt, en kunnen praten over gisteren verandert wat je over je leven kunt delen.
De imperfetto: van mededelingen naar verhalen
De imperfetto (de onvoltooid verleden tijd) breidt niet zozeer uit wát je kunt zeggen, maar verandert de kwaliteit ervan. Met alleen de presente en de passato prossimo blijft spreken feitelijk: ik ging, ik zag, ik kwam terug. De imperfetto voegt de achtergrond rond die feiten toe. Faceva freddo (het was koud), ero stanco (ik was moe), da bambino giocavo a calcio (als kind speelde ik voetbal). De zinnen worden langer, en ze beginnen te klinken zoals Italianen een verhaal vertellen.
Het echte werk in deze fase is leren hoe de imperfetto en de passato prossimo samenwerken: de een houdt het decor vast terwijl de ander het verhaal vooruit duwt. Die coördinatie is de eerste serieuze muur waar de meeste cursisten tegenaan lopen, en hij verdient zijn eigen ruimte: we behandelen hem volledig in ons artikel over de passato prossimo en de imperfetto.
Condizionale en imperativo: de grammatica van beleefdheid
Beleefdheid is in het Italiaans ook een kwestie van grammatica. Zeg voglio un caffè en je klinkt bot. Zeg vorrei un caffè en hetzelfde verzoek wordt hoffelijk. Die verschuiving zit in de condizionale (de voorwaardelijke wijs), en één vorm, vorrei, doet meer voor het dagelijks leven van een cursist in Italië dan hele grammaticahoofdstukken.
De imperativo (de gebiedende wijs) telt om dezelfde praktische reden. Het Italiaans scheidt het informele en het formele in zijn bevelen en verzoeken: scusa tegen een vriend, scusi tegen een onbekende; aspetta tegen iemand die je kent, aspetti tegen iemand die je niet kent. Italianen vergeven buitenlanders bijna elke fout, maar aan deze vormen wordt hoffelijkheid afgelezen in het echte leven, op het gemeentehuis of aan de telefoon met de loodgieter.
De futuro semplice: minder vaak nodig dan je denkt
Italianen gebruiken vaak de presente om over de nabije toekomst te praten. Domani vado a Roma (morgen ga ik naar Rome) is natuurlijk gesproken Italiaans, en dat betekent dat een beginner plannen en afspraken al aankan ruim voordat hij de toekomende tijd überhaupt bestudeert.
De futuro semplice (de toekomende tijd) heeft nog steeds zijn plek. Het is de natuurlijke keuze voor wat duidelijk vooruit in de tijd ligt, voor voorspellingen en beloftes: l’anno prossimo compreremo una casa in Italia (volgend jaar kopen we een huis in Italië). Hij hoort op de kaart, alleen later dan de meeste cursisten verwachten.
De congiuntivo: een kwestie van stijl, niet van overleven
Sommige scholen introduceren de congiuntivo vroeg en besteden er lang aandacht aan. Die volgorde dient het examen meer dan de cursist. Tot op zekere hoogte stort er in het praktische dagelijkse Italiaans niets in zonder de aanvoegende wijs, een wijs die het Nederlands nauwelijks nog kent: je kunt winkelen, reizen, kletsen en een verbouwing regelen terwijl je hem amper aanraakt.
Waar de congiuntivo wél belangrijk wordt, is bij het verhogen van de kwaliteit van je Italiaans. Het is de grammatica van meningen en twijfels die precies worden uitgedrukt: penso che sia troppo caro (ik vind het te duur), credo che abbia ragione (ik geloof dat hij gelijk heeft). Hij opent ook de deur naar de periodo ipotetico, de als-zinnen waarmee Italianen redeneren over wat zou kunnen gebeuren: se avessi più tempo, studierei di più (als ik meer tijd had, zou ik meer studeren). Cursisten die dit stadium bereiken, gaan verfijnd klinken, en Italianen horen het verschil meteen. Dat is een doel dat de moeite waard is. Het is alleen geen doel voor een beginner, en niemand hoort zich achtergesteld te voelen omdat hij het op A2 of zelfs B1 nog niet heeft.
Italiaanse werkwoordstijden die je tegenkomt maar zelden gebruikt
Quando sono arrivato, il treno era già partito: toen ik aankwam, was de trein al vertrokken. Dat verleden vóór een ander verleden is de trapassato prossimo (de voltooid verleden tijd), en zodra de passato prossimo en de imperfetto stevig zitten, volgt hij zonder veel moeite.
De passato remoto is een ander geval. Je vindt hem op elke bladzijde van de Italiaanse literatuur, waar andò en disse het werk doen dat è andato en ha detto in spraak doen. Het Nederlands kent zo’n aparte literaire verleden tijd niet: „hij ging” en „hij zei” werken in een roman net zo goed als aan tafel. Wil je romans in het origineel lezen, dan is het de moeite waard hem te leren herkennen. In gesproken Italiaans moet een buitenlandse cursist hem niet gebruiken. Gesprekken over het verleden draaien op de passato prossimo en de imperfetto, en in spraak naar de passato remoto grijpen klinkt boekerig. Leer hem herkennen wanneer je Italiaanse boeken begint te lezen, en houd hem uit je spraak.
De modi indefiniti: opties aan het uiteinde van de kaart
Aan het uiteinde zitten de modi indefiniti (de onbepaalde wijzen): de infinito, de gerundio en het participio passato. Strikt genomen zijn het geen tijden maar werkwoordsvormen zonder uitgesproken onderwerp, en ze horen bij gevorderd Italiaans. Wat ze bieden zijn opties. Prima di uscire, chiudi la finestra gebruikt de infinito waar een hele bijzin zou volstaan. Tornando a casa ho incontrato Anna perst een hele zin samen in de gerundio, een vorm waar het Nederlands geen tegenhanger voor heeft. Finito il lavoro, siamo usciti verandert een handeling in een beschrijving met het participio.
Niets hiervan is vereist om goed Italiaans te spreken. Een cursist kan jarenlang rijke, natuurlijke gesprekken voeren zonder deze vormen bewust te bestuderen. Ze tellen voor wie variatie en compactheid in zijn stijl wil, vooral in schrijven, en ze verdienen je aandacht pas wanneer alles wat op deze kaart erboven staat, op zijn plek zit.
Waar sta jij op deze kaart?
Bijna niemand zit op één enkel punt op deze kaart. Je vertelt misschien moeiteloos een verhaal in de passato prossimo en vermijdt tegelijk de imperfetto waar je kunt. Je zegt misschien tien keer per dag vorrei zonder ooit de condizionale te hebben bestudeerd. Niveaus zijn ongelijk, en dat is normaal.
Wil je zien waar je werkelijk staat, dan kost onze Italiaanse test een paar minuten en geeft hij je een goed beeld. Aan het eind ken je je niveau, en weet je welke van de Italiaanse werkwoordstijden de volgende is om aan te werken.
